Filter niet op basisrekenvaardigheid

Als ik een leerling toets, test ik mijzelf. Ik toets om te kijken of mijn les succesvol was. Als de leerling fouten maakt betekent dat dat ik ergens iets fout heb gedaan. Immers probeer ik het kind iets te leren. Toetsen op de basisschool hebben een andere functie. Die functie is om kinderen te filteren.

Toetsprestaties worden in het PO gebruikt om kinderen een advies te geven voor het vervolgonderwijs. Dat is in principe prima, want ieder kind is anders en we willen elk kind passend onderwijs bieden. Maar er zijn bepaalde vaardigheden die we verwachten van elk kind, ongeacht niveau. Lezen bijvoorbeeld, dat kan iedereen. Met schrijven is dat hetzelfde.

Omdat we verwachten dat elk kind deze vaardigheden kan leren, toetsen we niet of kinderen deze vaardigheden hebben geleerd. We leren het ze gewoon.Ze krijgen wel toetsen waarin ze deze basisvaardigheden gebruiken, maar dan op een manier die cognitief interessant is. We meten bijvoorbeeld hoe snel een kind kan lezen, of hoe goed een kind de gelezen tekst begrijpt.

Rekenen in het primair onderwijs

Onder rekenen in het PO verstaan we dat een kind moet kunnen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met gehele getallen, kommagetallen en breuken. Ook moet een kind de voorrangsregels en het metrieke stelsel kennen, en het moet kunnen werken met procenten en verhoudingstabellen. Voor elk van deze vaardigheden is een eenvoudig recept te bedenken dat elk kind, zolang het geen echte leerproblemen heeft, uit kan voeren. Rekenen, net als lezen en schrijven, kan elk kind leren.

In het PO wordt de gedachte dat elk kind moet kunnen rekenen vaak niet gedeeld. Erger nog, als een kind niet kan rekenen wordt dit niet gezien als een gefaalde methode, maar als iets onveranderlijks aan het kind. Soms hoor je dan de geruststellend bedoelde woorden: “Er zit meer in, maar het komt er niet uit”. Wat ze bedoelen is: “Er zit meer in, maar wij krijgen het er niet uit”.

Filteren tijdens de rekenles

Op de meeste basisscholen komen kale rekensommen nauwelijks meer aan bod. De sommen die je maakt in de rekenles zijn vooral verhaalsommen. Bijvoorbeeld, een kale breukensom als \frac 13 + \frac 14 = \ldots wordt aangeboden als \frac 13 taart en \frac 14 taart zijn samen \ldots taart.

Het mooie van een kale rekensom is dat er een vast en onveranderlijk startpunt is. Een kind kan dit startpunt herkennen, en in zijn mentale bibliotheek het juiste recept voor dit startpunt vinden. Het kind kan dan dit recept uitvoeren en de som tot een goed einde brengen. Vooral voor de zwakkere rekenaars geeft dit houvast. Dit houvast wordt ze ontnomen door sommen vooral in context aan te bieden. Het startpunt wordt voortduren verborgen, en het kind moet eerst naar dit startpunt op zoek. Pas als het deze heeft gevonden kan het gaan rekenen. Een bijkomend nadeel is dat het kind in dezelfde tijd minder sommen kan maken, en dus minder goed kan oefenen.

Omdat de sterke rekenaar minder oefentijd nodig heeft en minder moeite heeft om dit startpunt te vinden wordt er op deze manier gefilterd tijdens de les. De sterke rekenaar heeft de les door en leert iets. De zwakke rekenaar heeft moeite met de les en worstelt om iets te leren. Aan het einde van de les zijn beide rekenaars niet bij hetzelfde eindpunt aangekomen. De een kan rekenen, de ander niet, of niet voor lang.

Toetsen met verhaalsommen

De eindtoets voor rekenen op het PO bestaat ook voor het grootste deel uit verhaalsommen. Er wordt van kinderen verwacht dat zij (1) het verhaal omzetten naar een correcte som en (2) de som correct oplossen. Om een verhaalsom goed op te lossen moet je dus over meer dan alleen rekenvaardigheden beschikken. Je moet ook kunnen begrijpend lezen en je moet over een bepaald abstractievermogen beschikken.

Beschik je over voldoende abstractie- en begrijpend leesvermogen, dan kun je het verhaal omzetten in de correcte som. Ben je correct onderwezen, dan kun je die som altijd goed oplossen. Het oplossen van zo’n rekensom is gewoon een kwestie van het juiste stappenplannetje uitvoeren. Een toets met contextopgaven toetst dus iets heel unieks. Het toetst niet je rekenvaardigheid, maar het toetst je vermogen om een verhaal te vertalen naar een som. Het toets alleen je rekenvaardigheid in zoverre je jouw rekenvaardigheden op het PO aangeleerd krijgt door middel van contextopgaven.

Dus, kun je rekenen, dan toetst een verhaalsommentoets je rekenvaardigheden niet. Kun je niet rekenen, dan laat de verhaalsommentoets zien waar je bent blijven hangen in de rekenlesfilter.

Maar hoe dan?

Een basisaanname moet zijn dat elk kind kan leren rekenen. Uit die aanname moet volgen dat we elk kind ook echt leren rekenen op de basisschool. Dit kan eenvoudig en in kortere tijd dan nu wordt gedacht.

Pas als een kind kan rekenen kan de vaardigheid in het rekenen worden getoetst. Zo doen we het ook al bij lezen en schrijven. Dit kan met bijvoorbeeld tempotoetsen, of nauwkeurigheidstoetsen.

Verhaalsommen moeten worden gezien als iets anders dan een rekenvaardigheidstoets. Er wordt immers niets getoetst dat met rekenvaardigheid te maken heeft. In plaats daarvan wordt deels begrijpend lezen en deels het abstractievermogen toetst.

Een volgende stap moet zijn om het rekendomein op de basisschool uit te breiden. Na +, -, × en : met gehele- en decimale getallen en breuken kunnen negatieve getallen aan bod komen. Daarna kunnen we het kwadrateren en worteltrekken behandelen. We kunnen de tafels uitbreiden tot de tafel van twaalf, of zelfs meer. We kunnen ook gaan oefenen met priemgetallen. Al deze onderwerpen zijn goed behapbaar voor een kind van groep 6, 7 en 8 leeftijd die de basisrekenvaardigheden heeft geleerd.

Dit zal niet ieder kind even gemakkelijk af gaan, en misschien bereiken we een punt waarop blijkt dat verder dan daar echt niet haalbaar is voor de meeste kinderen. Juist dan kan de voortgang in dit traject gebruikt worden om een passend schooladvies aan te bieden voor de middelbare school.

Got Something To Say?

Your email address will not be published. Required fields are marked *